Naamvallen
3e naamval - het meewerkend voorwerp
Downloads
Les 20: De 3e naamval - het meewerkend voorwerp
Uitlegvideo
Je leert hoe de hij/hem-regel met de 3e naamval uitgebreid kan worden en je leert de verbuigingen van de verschillende woordsoorten in de 3e naamval kennen.
SC: EJZE2 | 10 items | hints
Je oefent alleen met het meewerkend voorwerp, dus alleen met de 3e naamval. Je vult telkens de juiste vormen van het lidwoord, bezittelijk of persoonlijk voornaamwoord, der-groep en bijvoeglijk naamwoord in.
SC: GJZFX | 10 items | hints
Je oefent alleen met het meewerkend voorwerp, dus alleen met de 3e naamval. Je vult telkens de juiste vormen van het lidwoord, bezittelijk of persoonlijk voornaamwoord, der-groep en bijvoeglijk naamwoord in.
SC: JJZGU | 10 items | hints
Je oefent met het toepassen van de hij/hem-regel om de juiste naamval (1e, 3e of 4e) te bepalen. Je vult telkens de juiste vormen van het lidwoord, bezittelijk of persoonlijk voornaamwoord, der-groep en bijvoeglijk naamwoord in.
SC: 8JZH5 | 10 items | hints
Je oefent met het toepassen van de hij/hem-regel om de juiste naamval (1e, 3e of 4e) te bepalen. Je vult telkens de juiste vormen van het lidwoord, bezittelijk of persoonlijk voornaamwoord, der-groep en bijvoeglijk naamwoord in.
SC: UJZJG | 10 items | hints
Je oefent met het toepassen van de hij/hem-regel om de juiste naamval (1e, 3e of 4e) te bepalen. Je vult telkens de juiste vormen van het lidwoord, bezittelijk of persoonlijk voornaamwoord, der-groep en bijvoeglijk naamwoord in.